Feeds:
Berichten
Reacties

Ze liep in de stroom van mensen door de gang van Schiphol. Het was een droom. Een droom die werkelijkheid was geworden. Voor het eerst in haar leven had ze gevlogen. Ze had haar ogen uitgekeken en geweigerd te slapen, want ze wilde elk moment van deze bijzondere reis bewust meemaken. Op de monitor had ze gevolgd waar het vliegtuig was, hoe hoog het vloog, en hoe snel het ging. Ze had nog wat drinken besteld. Ze had gekeken hoe mensen naar de wc gingen en weer terug. Ze was zelf naar de wc gegaan. Alles was fascinerend geweest. En nu had ze voet aan land gezet. Voor het eerst in haar leven in een ander land. Wat voelde ze zich gelukkig. Wat zag ze er naar uit om haar vrienden straks te begroeten! Wat een geluk om dit allemaal mee te maken! In gedachten had ze de verhalen al klaarliggen, die ze aan haar familie thuis kon vertellen. Ze kon de grote ogen van haar nichtje al voor zich zien.

 

Ze naderde de douane. Net als de andere mensen ging ze in de rij staan en zocht alvast naar haar paspoort en andere papieren. Al haar papieren waren in orde dus toen ze aan de beurt was stapte ze rustig naar voren en gaf haar paspoort aan de douane-ambtenaar. De ambtenaar keek haar nors aan en begon met gefronst voorhoofd in haar paspoort te bladeren. Na deze een tijdje bestudeerd te hebben, keek hij op en vroeg kortaf: “How much money do you have?” Salma’s adem stokte in haar keel. Deze vraag had ze niet aan zien komen. Haar hart begon in haar keel te bonzen. “Do you speak English?” vroeg de ambtenaar ongeduldig. “Yes!” wist ze snel uit te brengen. De vraag werd herhaald. “How much money do you have?” Salma voelde zich opeens klein. Waarom moesten ze nou juist deze vraag stellen? Schaamte borrelde omhoog en even overwoog ze te liegen. Nee, dat kon natuurlijk niet, ze was christen. En dus zei ze: “Ik heb niets”. De ambtenaar trok zijn wenkbrauwen omhoog. “En hoe denk jij dan te gaan overleven?” Zonder op haar antwoord te wachten, zuchtte hij diep en gebaarde haar naar de kant te gaan, naar de immigration office. Daar aangekomen overhandigde ze al haar papieren die grondig werden bestudeerd. Weer moest ze bevestigen dat ze geen geld had. Hoe ze zou overleven? Haar vrienden zouden voor haar zorgen. Kortaf werd om hun telefoonnummer gevraagd. Opgelucht overhandigde ze die. Nu zou alles goed komen. Na een tijdje wachten kwam de man van de marechaussee bij haar terug. “Zijn dit echt de juiste nummers? Er wordt niet opgenomen!” Salma knikte. Het waren echt de juiste nummers. “Zouden ze je op komen halen?” Salma knikte weer. “Okay, dan laat ik ze omroepen”. Na een tijdje kwam hij terug en onderwierp haar aan een vragenvuur. Waar ze die vrienden precies van kende, wie het waren, wat ze deden, wat ze zelf deed, wanneer ze hen had ontmoet, enzovoorts. Daarna moest ze plaats nemen op het bankje aan de zijkant, waar ook een andere Tanzaniaanse aan het wachten was op haar zus. Na een kort praatje vervielen ze in stilte. Salma’s gedachten gingen uit naar haar eigen zus. Ze was blij dat die haar nu niet kon zien. Wat een zorgen had die zich gemaakt over Salma’s reis. Ze zag haar nog zitten, met haar hoofd in haar handen, en haar poging om Salma nog op andere gedachten te brengen. “Je gaat naar Europa zonder geld!” had ze gezegd. “Wat als er wat gebeurt? Wat als je de weg kwijtraakt?” Maar Salma had gelachen. Jan Jaap en Esther zouden haar niet in de steek laten. Bovendien, ze had er voor gebeden, en wist in haar hart dat alles goed zou komen. Die gedachte deed haar glimlachen. Alles zou zeker goed komen, alle zenuwachtige ambtenaren en agenten hier ten spijt.

 

En ja, na een hele tijd wachten zag ze achter ‘haar’ marechaussee-ambtenaar twee bekende gezichten aan komen. Verheugd stond ze op. Jan Jaap knalde er zowaar een Afrikaanse yell uit toen hij haar zag, ondanks de situatie. Vanuit haar ooghoeken zag ze de agenten verstijven en haast naar hun wapen grijpen, maar toen ze haar vriend omhelsd had en zich naar Esther keerde, zag ze gelukkig dat iedereen moest glimlachen. Wat een feest om hun weer te zien.

Advertenties

Als ik aan haar denk, denk ik aan een meisje zittend op de grond, totaal verdiept in haar spel. Ze was toen een jaar of tien, en kon eindeloos bezig zijn om van nutteloze en onooglijke dingen iets moois te maken. Ze zette glazen potjes netjes op een rijtje, van laag naar hoog. Dan nog een rij ernaast. Dan probeerde ze een andere volgorde. Of ze gebruikte steentjes en takjes, een gebroken bord, een dekseltje van een potje, en wat frisdrankdopjes, en maakte daar wat moois van. Zo herinner ik me haar. En ik herinner haar enorm grote ogen met volle wimpers, en haar moeders lach op haar gezicht. En dat Julie zo dol op haar was. En dat ze Dawie leerde fietsen, die niets van ons wilde aannemen, maar van haar wel. En dat ze twee keer zo zwaar gestraft was op school, dat ze daarna een paar dagen thuis moest herstellen. En dat ze moest werken in het restaurantje van haar tante om daarmee haar schriften voor school te verdienen. Ze wilde niet. Ze wilde liever net als haar jongere zusje bij ons thuis spelen. Waar haar moeder, Siri, werkte. Maar ze was al tien. Ze was geen kind meer. Faisha.

Faisha is ziek. Siri belde ons van de week opeens. Vertelde dat ze problemen had en vroeg om hulp. In de vorm van geld. Ze wil een onderneminkje starten. Of we het naar een bepaalde bankrekening konden overmaken, van een zwager van haar. Ze vertelde dat de vader van haar dochters, die allang niet meer bij hun woonde maar nog wel beide dochters ondersteunde als dat nodig was, ervandoor was gegaan. Al maanden is hij weg en niemand weet waar hij is en wanneer hij weer terugkomt. Ze kan de school niet betalen. Ze is totaal afhankelijk van de opbrengst van haar stukje land. En haar dak, die ze van ons gekregen had, lekt alweer. Haar jongste dochter, Fadhia, kreeg ik ook even aan de telefoon. Op een typisch kinderlijke ongeduldige manier vroeg ze wanneer we nou weer kwamen.

Een paar dagen later belde Siri weer. Of we er al over na hadden gedacht. Ik vertelde dat we slechte ervaringen hebben met Tanzaniaanse bankrekeningen en dat we dus niet geld gaan overmaken. Maar Salma komt bijna, en die zou een antwoord van ons mee terug kunnen nemen. Haar stem klonk dringend nu. Het zou te lang duren. Ze heeft geen geld voor eten en ze moet met Faisha misschien naar een groter ziekenhuis. De nood is hoog. In Ruangwa hebben ze een malariatest gedaan, maar die was negatief. Ze hebben haar weer naar huis gestuurd. Als je geen malaria hebt, weten ze geen goed raad. Maar ze is nu al drie weken ziek. Lusteloos. Soms meent ze iemand te zien die er helemaal niet is, die achter haar aan zit en dan rent ze weg, zomaar de bosjes in. Ze moeten haar dan vasthouden, terwijl ze het uitgilt. Uiteindelijk kalmeert ze dan weer. Siri maakt zich grote zorgen. Ze weet niet wat er met haar dochter aan de hand is. Ze kan er ‘s nachts niet van slapen. Ze wil met haar naar een groter ziekenhuis, maar hoe komt ze aan geld voor de busreis? En geld voor het onderzoek en eventuele behandeling in het ziekenhuis? Dringend vroeg ze me of ik alles begrepen had. Ik bevestigde. Ja, ik had haar begrepen. Ik had alles goed begrepen. En ik legde neer.

Van de ‘welke verf zullen we nou op de vensterbanken smeren?’- en ‘pff, wat zullen we nu weer eten vandaag, geen zin meer in winterkost, maar te koud voor zomerkost’-modus, beland ik in een oogwenk in de Ruangwa-modus. Precies dat gevoel, wat we daar zo vaak hebben gevoeld, maakt zich meester van me. De enorme hopeloosheid, uitzichtloosheid, onrecht, ongelijkheid, ik zit er weer midden in. Ik voel verdriet, boosheid, onrust. Zo oneerlijk is het. Zo ontzettend oneerlijk. En ook het beroep op ons, rijke westerlingen. Wat te doen? Het drukt als een dreigende, zwarte onweerswolk.

Arme Faisha. Ze heeft dringend hulp nodig, dat is duidelijk. Haar vader is hem, heel typisch, gevlogen, net nu ze hem zo hard nodig heeft. Wat zou haar zo ziek maken? Een infectie of parasiet in haar hoofd? Een psychiatrische aandoening? Bezetenheid? Alles is mogelijk in dat land, we hebben genoeg gezien.

Wat zijn we nu ver weg.

Vandaag is het precies een jaar geleden dat we weer voeten zetten op Nederlandse bodem. Alweer een jaar. Dat is de tijd die er voor staat om weer te wennen aan een nieuwe leefomgeving. Ik hoor er dus nu weer helemaal te ‘zijn’. Maar diep van binnen wil ik nog niet helemaal loslaten. Ik wil nog niet wennen aan de snijdende kou die je begroet als je de deur uit stapt. Ik wil nog niet wennen aan een volle agenda. Ik wil nog niet wennen aan het ver vooruit plannen van afspraken, feestjes en vakanties. Ik wil nog niet wennen aan het geklaag van ouders op het schoolplein. Dan weer wordt er te weinig gecommuniceerd vanuit de leerkrachten op school. Dan weer te veel. Er is altijd wat. Ik wil nog niet wennen aan een kant en klare paasstol die ik zomaar uit de schappen haal en met een enkele beweging in m’n boodschappenkarretje leg. Of de abnormale overdaad aan beschikbare levensmiddelen. Aan de wegen waarop je overal naar toe zoeft. Aan het altijd en overal beschikbare internet, elektriciteit, en water. Schoon drinkwater nog wel. Ik wil er nog niet aan wennen. Ik wil me bewust blijven van die andere wereld. Die wonderbaarlijk mooie en warme wereld. Die keiharde en schrijnende wereld. Ik wil het niet vergeten.

Een tijdje geleden zag ik voor het eerst passievruchten in de supermarkt liggen. Ik werd er onmiddellijk naartoe getrokken, nam verrukt een vrucht in mijn handen. Ogenblikkelijk was ik weer in Tanzania. Op een stoffige markt. Speurend naar voor ons bijzondere etenswaren, want in Ruangwa (het dorp waar we woonden) was er niet veel variatie beschikbaar. Altijd blij om passievruchten te vinden. Het voelde als een schat. Heerlijk door een fruitsalade. Of om sap van te maken. Ik hoorde de geluiden van roepende verkopers. De zoete geur van rijpend fruit en de stank van gedroogde visjes in een vreemde mengeling in mijn neus. De plotselinge overgang naar Tanzania deed de tranen opwellen in m’n ogen en ik slikte ze weg. Maar zo gauw als ik in Tanzania belandde, zo gauw belandde ik weer in Nederland. De kille kou van de vrucht in mijn hand klopte niet, en ook de prijs deed me verschrikt weer uit mijn droom ontwaken.

Een ander moment dat ik zomaar weer in Tanzania belandde was toen ik mijn beste vriendin daar, Salma, aan de telefoon had. Ze was op bezoek bij een vrouw die we destijds geholpen hebben om haar zwaar ondervoede kindje eten te geven. Ik babbelde wat met beurtelings die vrouw, en Salma. Het geluid van hun stemmen en het spreken van de taal maakte dat ik even bij hen was. Ik zat op een omgekeerde emmer op de rode aarde voor haar hutje. De zon ongenadig warm. Giechelende kinderen die nieuwsgierig naar de mzungu kwamen kijken. Dit keer was het een blik op de klok die me snel weer terugbracht bij de werkelijkheid. Ik moest Dawie en Julie van school halen. Toen ik even later gehaast op de fiets zat en door de sneeuw glibberde, moest ik wel even met mijn ogen knipperen.

Ik koester deze momenten van contact met Tanzania. Ik ben sinds ik terug ben met andere ogen naar dingen gaan kijken. En ik vind dat waardevol. Ik beschouw dat als een groot goed wat ik meegekregen heb vanuit dat verre land. Het geeft me veel stof om over te schrijven. En dus, op deze bijzondere dag, proost ik op het leven, met een heerlijk gebakje die ik mezelf nog beloofd had toen ik uit Tanzania kwam. Ondanks dat het een jaar geleden is en ik nu weer ingeburgerd hoor te zijn, blijf ik stiekem nog even allochtoon in eigen land.

 

Het Nederlandse klimaat

We zijn nu bijna een jaar terug in Nederland en hebben het koud. Dawie’s favoriete plekje in huis is bovenop de kachel, Julie kruipt het liefst dicht tegen papa of mama aan, en wij dragen extra truien en sokken en kijken verlangend naar het weerbericht of er al zon in zicht is. Het is wennen voor ons allemaal. Als we naar buiten moeten is dat een hele klus. In Tanzania trok je als kind eenvoudigweg een jurkje over je hoofd, of een shirtje met korte broek. Je stapte naar buiten op je blote voeten of gleed even in je slippers. Hier is het een hele toestand. Is iedereen goed aangekleed? hemden in de broeken? Dan moeten we schoenen aantrekken met moeilijke ritsjes of veters, sjaals omdoen, dikke jassen aan, handschoenen en soms ook nog een muts. En dat alles onder de tijdsdruk van op tijd op school komen. Het veroorzaakt de nodige stress ‘s ochtends, maar in Nederland leer je al snel dat ‘je wapenen tegen de kou’ een bittere noodzaak is.

Ik vind dat de kinderen veranderd zijn in de tijd dat we hier weer wonen. Ze gaan anders met elkaar om, zeggen andere dingen. Dingen als “Ik heb lekker dit, en jij lekker niet!” of de tong uitstekend de ander uitjouwen als die langzamer is, iets niet begrijpt, iets laat vallen, enzovoorts. Het verbaast me, want dat is echt nieuw gedrag wat ze hier geleerd hebben. Niet dat ze in Tanzania altijd als engeltjes met elkaar om gingen, maar dat was anders dan dit. Iets wat ik de hele tijd hoor van Dawie is: “ja, dat weet ik!” Hij zegt het op de gekste dingen. Zelfs als hij iets aan me vraagt en ik geef antwoord, zegt hij snel “ja, dat weet ik!”, alsof het een schande is om iets niet te weten. Na enig navraag bij andere moeders blijkt dit een kwaal te zijn van misschien wel elk schoolgaand kind. Wat gebeurt er toch op school dat het mijn kinderen zo beïnvloedt? Wat is dat in het Nederlandse klimaat wat zo’n vat op ons heeft?

Ik denk dat we in Nederland uitblinken in het bekritiseren van elkaar en onszelf. We slaan er volledig in door. Hoe negatiever, hoe beter, lijkt wel. En tot mijn schrik merk ik dat dat in de kleuterklas al begint. Als ik op een maandag mijn vierjarige dochter aankleed en haar luier om wil doen, weigert ze die luidkeels. Na enig doorvragen komt het hoge woord eruit. Alle kindjes doen “ieeeh!” als ze haar luier zien, en roepen dat ze een baby is. Als ik even later met haar op school aankom, gaat ze zitten in de kring, en het jongetje wat naast haar zit springt op en gaat met veel vertoon naar z’n vriendjes toe, met een opgetrokken neus, alsof ze vreselijk stinkt. Hij smoest met z’n maatjes terwijl hij naar haar wijst en zegt: “Julie is dom!”. Geschokt zie ik hoe mijn lieve, spontane, vrolijke meisje behandeld wordt. Ik wijs hem terecht en ga naar huis. Als ik haar ophaal vertelt ze dat hij ook nog op haar gespuugd heeft. Dit is puur pestgedrag, maar het ‘veroordelende’ zit hem ook in kleinere dingen. Wederom in de kleuterklas. Julie komt aangelopen met een puzzeltje en wil gaan zitten bij haar groepje. Het meisje naast haar roept belerend: “nee, die mag je niet pakken! Dat is alleen voor groep 2!” Julie verstart en ik loop er gauw heen. De Nederlandse school kent veel regeltjes, maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat iemand uit groep 1 niet een puzzel mag maken van groep 2. Ik zeg dus tegen het meisje dat Julie dat gewoon mag, en dat ze heel goed is in puzzelen en dat dus gewoon mag proberen. Het meisje blijft het nodig vinden om te protesteren, en zodra Julie een stukje legt wat niet klopt, haast ze zich om commentaar te leveren. Vanochtend hielp ik in de klas om een groepje te begeleiden met spelletjes doen. De kinderen mogen dan omstebeurten een spelletje uitkiezen die we dan met het hele groepje gaan spelen. Standaard elk spelletje wat door een kind gekozen werd, werd afgekraakt. Komt een kind opgetogen met zijn lievelingsspelletje aanlopen, begint elk kind luid te zuchten hoe stom dat spel wel niet is. Een van de kinderen maakte er een soort mantra van. “Wat een stom spel, wat een stom spel, wat een stom spel, wat een stom spel”. Alsof het een sport was wie het beste de keus van de ander af kon kraken. Bij het afkraken worden zelfs wij ouders niet ontzien. Toen een kindje vroeg waarom ik niet meespeelde, antwoordde een jongetje: “omdat ze dom is”.

Het verbijstert me. Echt waar. En wij, volwassenen, doen er net zo hard aan mee, al doen we dat misschien iets subtieler.  Ik fiets met mijn kinderen van school weg en moet een kruispunt oversteken naar links. Het is druk, en ik vind het een hele toer om beide kinderen in de gaten te houden. Op het moment van oversteken vergeet ik in de drukte mijn hand uit te steken waardoor de moeder naast mij, die naar rechts moet, enigszins in de knel komt. Ik roep “sorry, ik moest naar links!” En ik hoor haar achter me sissen dat ik dan gewoon mijn hand uit moet steken. In de sportzaal ben ik bezig op de loopband als de vrouw naast me wijst naar een vrouw die even verderop oefeningen doet op een matje: “ik begrijp dus echt niet waarom ze dat hier doet. Dat kan toch ook gewoon thuis?”

Twee voorbeelden waarin veroordeeld wordt, en een druk op je schouders gelegd wordt. Hoe anders was het geweest als de moeder op de fiets had gezegd: “geeft niet hoor, het is ook best lastig met die kleine kinderen”. Of de vrouw op de loopband: “Sjonge, die doet haar oefeningen goed!” Zou het leven voor ons allemaal niet een stuk aangenamer worden als we elkaar ruimte zouden geven in plaats van een wijzende vinger? En zouden onze kinderen dan dat positieve gedrag van ons overnemen, waardoor het klimaat op school ook een stuk aangenamer wordt?

Julie leert nu al om zich te wapenen tegen de kou. Het doet me pijn. Ik kan alleen maar hopen dat het snel wat warmer om haar heen zal worden, en dat ze zal durven te blijven wie ze is.

Welkom thuis

Al twee maanden ‘thuis’, en nog steeds durf ik me amper aan dit onderwerp te wagen. Teveel is nog in volle gang, teveel gaat te snel om het te kunnen benoemen. Ik waag me er toch aan, nu ik ziek thuis zit en de kinderen bij opa en oma logeren en ik dus gedwongen tijd heb om te rusten en m’n gedachten te laten gaan. Waarschijnlijk volgt er later nog wel een nummer twee en drie van ditzelfde onderwerp.

‘Welkom thuis’ was allereerst een hele warme en emotionele ontmoeting met al onze geliefden. Het is niet uit te drukken hoeveel we ze gemist hadden en hoe blij we waren iedereen weer in onze armen te sluiten, en dan te weten dat we er voorlopig zouden ZIJN.

Kort daarop echter stapten we in de sneltrein die ‘regel je leven in Nederland’ heet, en daar zijn we nog steeds niet uitgestapt. Om een indruk te geven: in de eerste week kochten en regelden we ‘even’ twee nieuwe mobiele telefoonabonnementen, 1 nieuwe mobiel, een nieuwe laptop, een nieuwe ‘mooie kleren’-garderobe voor JJ, kleding voor de kinderen, een nieuwe auto, autoverzekering, enzovoorts. De tweede week gingen we aan de slag met een school voor Dawie in Oldebroek, ons inschrijven in die gemeente, beginnen naar huizen kijken, JJ’s werk regelen, enzovoorts.

Inmiddels hebben we veel kunnen doen en komen we steeds een klein stapje verder. Dawie gaat naar school en dat gaat goed, Jan Jaap werkt op de cardiologie en heeft het naar z’n zin. Verder is hij aangenomen voor de huisartsenopleiding die in september begint, en daar zijn we erg blij mee. Julie zit inmiddels weer een stuk beter in haar vel en gaat zelfs naar een peuterspeelzaal waar ze elke dag wel naar toe zou willen.

Toch zijn er nog een hoop losse eindjes. Die variëren van een vreselijk ingewikkeld aanvraagformulier voor de kinderbijstand, tot vrienden en familie waar je zoveel bij in te halen hebt (van nieuwe baby’s en huizen tot sterfgevallen en andere heftige gebeurtenissen waar je niet bij bent geweest). En dan weer beseffen dat je de tijd nooit meer in kan halen en het los moet laten.

Ons belangrijkste losse eindje op dit moment is wel een huis. Op dit moment verblijven we in de vakantiewoning van mijn ouders. Volgens de regels moeten we hier eigenlijk bijna alweer uit, maar we hebben netjes schriftelijk aangevraagd, met een brief van Dawie’s schooldirecteur erbij, of we tot aan de zomervakantie mogen blijven. Tot nu toe hebben we nog geen antwoord gehad en gaan we er maar van uit dat het okay is. We weten dus zeker dat we de tweede week van juli hier weg zijn, maar we hebben nog geen idee waar we daarna naartoe zullen gaan. Tot nu toe, na al heel veel tijd en energie erin gestopt te hebben, hebben we nog geen succes met een huis kopen. Het levert een hoop stress op. Nooit gedacht dat onze eerste tijd in Nederland weer zó stressvol zou zijn. Toch proberen we te blijven hopen op een goede uitkomst en op God daarin te vertrouwen.

Veel mensen vragen me of ik al een beetje geland ben. Ik weet nooit hoe ik daarop moet antwoorden, dus waarschijnlijk is het antwoord ‘nee’. Ja, we pakken veel dingen vlug weer op. ‘o ja, zo werkt Nederland’, en je rijdt weer rechts en je kleedt jezelf warm aan en je houdt je aan de regeltjes, en je komt weer op verjaardagen en je kind gaat naar school. Het is bekend en je vind je weg weer. En toch, uren doe ik erover om m’n boodschappenlijstje te maken, me suf piekerend over wat je ook al weer allemaal kan maken en wat handig is en wat je dan nodig hebt. Ik ben het allemaal kwijt. Dawie heeft boze buien omdat hij papa bijna nooit meer ziet en er zoveel van hem gevraagd wordt, op school en daarbuiten. Tanzania lijkt uit een ander leven. Doordat we zo druk zijn EN het zo’n andere wereld is, is het zo ver weg dat ik me veel dingen niet eens meer voor de geest kan halen, en dat doet pijn. Tegelijkertijd kan zomaar opeens een beeld in me opkomen van een gezicht of een gebeurtenis van daar en zit ik te vechten tegen de tranen. Het voelt eenzaam om hier te zijn, waar bijna niemand ‘daar’ kent, en er nauwelijks naar gevraagd wordt.

Eigenlijk zitten we nog een beetje tussen twee werelden in. Fysiek al helemaal hier. Voor de rest, niet helemaal daar, maar ook niet helemaal hier. Tussen twee werelden. Misschien moeten we er toch eens een boek over gaan schrijven. Ooit. Als we geland zijn.

Hallo Nederland

Daar rijden we dan, in een nieuwe auto over prachtig glad asfalt. Er wordt op veel plekken aan de weg gewerkt maar daar merk je niet zo heel veel van zolang je buiten de spitsuren op pad gaat. In de auto is het behaaglijk, buiten is het guur en onze termostaat is nog niet aangepast aan dit klimaat. Gelukkig schijnt het zonnetje om de overgang wat makkelijker te maken. Buiten staan de eerste koeien in de wei en de narcissen maken een buiging voor het zonnetje.
We zijn op weg naar een huis, het zoveelste huis. In elke straat 4 huizen te koop, maar het ‘droom huis’ zijn we nog niet tegen gekomen. Maar voor eind april een sleutel in je handen hebben moet toch mogelijk zijn… why not?

“Live your dream don’t dream your life” daarmee begon onze reis (voorbereiding) naar Tanzania. We lived it out loud, en hebben ondanks de zware tijd een onvergetelijke ervaring achter de rug. Met prachtige herinneringen en lieve bijzondere vrienden aan de andere kant van de evenaar erbij. De lente breekt aan in NL en daar genieten we dus met volle teugen van. Een nieuw begin op veel vlakken en we gaan er het mooiste van maken. We willen hier uitbundig leven en nieuwe dromen gaan leven. Ons nieuwe motto is dan ook niet “Yes, but”, maar “why not?”.

Graag brengen we ook nogmaals onze stichtingAfyalimu onder de aandacht.

Wij zijn weg uit Ruangwa, maar de stichting gaat door! Er zijn nog tal van mogelijkheden die JJ nu als voorzitter van de stichting zal gaan ondersteunen. Een stichting waarvan 100% naar het goede doel gaat is iets waar ons hart naar uit gaat. Belasting aftrekbare steun die 100% aankomt en door kleine bijdragen grote impact heeft, dat wil men in deze tijd. We gaan voor een dubbele omzet dit jaar! En waarom niet?

Spullen

Spullen, honderden spullen, gaan tijdens een verhuizing door je handen. In Nederland gaan daarvan tientallen spullen achteloos de vuilnisbak in. Heerlijk, opgeruimd staat netjes. Hier in Tanzania gaat dat wat anders. In alles wordt namelijk wat waardevols gezien. Zelfs versleten kleren met gaten erin kunnen mensen nog heel goed gebruiken. Ik heb het dus afgeleerd hier om dingen zomaar weg te gooien. Het levert namelijk genante situaties op. Bijvoorbeeld een jurkje van Julie waar vreselijke vlekken in zaten die er niet meer uit gingen. Een werknemer plukte het uit het afval en kwam het me brengen, niet gelovend dat ik dat daadwerkelijk had weggegooid. Glazen potjes van de jam of tomatensaus? Zeer in trek om suiker en zout in te bewaren. Plastic flesjes? Kan je altijd nog gebruiken om olie in te bewaren, of melk. Ik ben dat gaan waarderen, dat hergebruiken. Hartstikke goed voor het milieu, en het scheelt een hoop slingerend afval.

Tijdens de verhuizing vond ik het wat minder handig. Kan je binnen NL veel spullen gewoon nog meeverhuizen als je het even niet weet, hier moest bijna alles WEG, omdat we het gewoon niet mee konden nemen. Elk klein spulletje moest dus door onze handen. Meenemen of weg? Weggeven of verkopen? Weggeven aan wie? Verkopen voor welke prijs? Het spreekt voor zich dat het nogal veel tijd in beslag nam. Genante situaties bij de afvalemmer waren niet meer te voorkomen. Zelfs een spelbord waarvan de rest ontbrak werd omhoog gehouden en bekeken hoe dat zou staan bij diegene thuis aan de muur. Alles waar ook maar een beetje een plaatje in stond, kapotte boekjes, tijdschriften, werden gretig in beslag genomen.

Voor de spullen met voor onze ogen duidelijke waarde hadden we een aparte hoek in de kamer ingericht om te verkopen. Het trok tientallen mensen. Sommigen waren netjes, sommigen waren net raven. Een groepje chauffeurs kwam langs en bestormden met z’n vieren ons huis. JJ bracht ze snel naar de verkoophoek toe en verzekerde hun dat de rest in het huis al allemaal verkocht was. Tot in den treure uitleggende wat voor spullen het allemaal waren, en onderhandelend over de prijs, kreeg JJ al snel te horen dat ze geen geld hadden (met andere woorden, kan je het ons niet kado geven?). Vervolgens gingen de ogen al snel naar de rest van het huis en zagen de laptop. “De computer! Verkopen jullie die?” “De camera! Die heb ik nodig!” En voor je het wist liepen ze het hele huis door. Zucht. Je zou ze het huis uit willen zetten, maar je wil ook van je spullen af.

Dit alles bereikte zijn climax op de dag van de verhuizing. We moesten nog steeds HEEL veel doen. Veel mensen roken buit en cirkelden een beetje in en rond het huis, en kregen inderdaad hier en daar wat toegestopt, want man, je moet van je spullen af! Een meneer haalde het in z’n hoofd om een rekenmachine terug te brengen die hij voor een prikkie had gekocht omdat hij het niet deed. Dat kan je op zo’n moment niet hebben, maar we hebben hem netjes 25 eurocent teruggegeven en niet vriendelijk verzocht op te hoepelen. Een paar doosjes met allerlei kleine spulletjes die we nog moesten uitzoeken keerde ik om, met de bedoeling dat even later te gaan doen. Voordat ik het wist zaten vier mannen (waaronder onze eigen werknemers) en 2 kinderen door de spullen te graaien. Op mijn commentaar dat ik dat nog uit moest zoeken werd begrijpend geknikt, maar niet weggegaan. JJ moest het even later heel duidelijk zeggen, en toen gingen ze eindelijk.

Spullen, spullen. Wat hebben we er toch veel van als westerlingen. Wij vergeten wel eens de waarde ervan. Mensen die heel weinig hebben vergeten wel eens hun goede manieren als ze met veel spullen geconfronteerd worden. Beiden best begrijpelijk.